Meester(en juf)schap is vakmanschap

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on email

Wegens de aangescherpte coronamaatregelen kan ThiemeMeulenhoff helaas niet aanwezig zijn op de informatiemarkt tijdens ‘Leraren maken het verschil’.
Ze hebben wél een stand ingericht waar je, zolang de voorraad strekt, een gratis exemplaar kunt ophalen van de special ‘Claim je vakmanschap’ van JSW, waar onderstaand artikel voor geschreven is.

‘Those who know, do. Those that understand, teach’

Van Dale:

Vakmanschap het . Het vakman-zijn, beheersing van het vak: vakmanschap is meesterschap

Afgelopen voorjaar was ik gasthoofdredacteur voor JSW. Voor dit nummer werd mij gevraagd met een onderwerp te komen. Daar hoefde ik niet lang over na te denken: vakmanschap. Het vak van leraar is een ambacht en daar mogen we best wat vaker bij stilstaan.

Over wat vakmanschap nu precies inhoudt, zijn boekenplanken volgeschreven. Het fijnste boek dat ik op mijn zoektocht naar de juiste definitie tegenkwam, was De ambachtsman van Richard Sennet. Hoewel dit niet specifiek voor het leraarschap is geschreven, geldt de manier waarop Sennet (2008) de term vakmanschap en het aanleren van die vakmanschap ook voor de onderwijspraktijk: ‘Vakmanschap staat voor (hoge) kwaliteit en bedrevenheid in de uitoefening van een vak.’

Onder druk

Dit vakmanschap staat wel onder druk. Al in 2007 kwam de Onderwijsraad met een rapport waaruit bleek dat de professionaliteit van de leraar steeds verder onder druk kwam te staan en het vertrouwen in leraren vanuit de maatschappij tanende was. De redenen die destijds hiervoor werden aangevoerd waren, teveel regelgeving van bovenaf (afname van autonomie) en steeds minder maatschappij waardering. Een proces dat zich sindsdien heeft doorgezet. Uit het onderzoek van Corvers (2017) blijkt dat het imago van de leraar steeds verder achteruitgaat.

Waar in het midden van de vorige eeuw het leraarschap nog aanzien had in de maatschappij, zien we dit vanaf de jaren 80 kantelen. Een mogelijke oorzaak hiervoor is de enorme toename van leerlingaantallen in de jaren 70 waardoor er behoefte ontstond aan gestandaardiseerd onderwijs (methodes) en de opkomst van landelijke organisaties om de kwaliteit van onderwijs te waarborgen (SLO, CITO). De leraar zelf kreeg steeds minder autonomie.

Onderwijsbeleid

In de afgelopen jaren ben ik, naast het werk in mijn klassen, veel bezig geweest met onderwijsbeleid, heb ik daarover met talloze collega’s gesproken over ons vak, vele scholen bezocht en vooral heel veel vergaderd met niet-leraren. Een prachtige ervaring, maar tegelijktijdig ook een duik in het konijnenhol van het onderwijskrachtenveld. Er bestaat een parallel universum aan overlegtafels over ons vak, waar de gemiddelde leraar geen weet van heeft.

Wat een leraar zou moeten kunnen, kennen en doen, het vakmanschap, is eigenlijk helemaal niet zo ingewikkeld, maar we hebben er als land een sport van gemaakt om er zoveel mogelijk over te discussiëren. Niet op de laatste plaats door mensen die zelf geen tot zeer weinig ervaring in de klas hebben. Het feit dat iedereen op school heeft gezeten, is blijkbaar een vrijbrief om ook over de inhoud van het vak van leerkracht mee te kunnen praten. Leraren praten te weinig mee over de inhoud van ons eigen vak en dat is op zijn zachts gezegd ‘jammer’. Wij zijn de ambachtslieden, en we weten uit de literatuur dat je het beste leert van een ervaren vakman (Sennet, 2008; Gamble, 2001).

Wanneer je wat oudere boeken leest over de onderwijspraktijk (Theo Thijssen bijvoorbeeld), zal het direct met mij eens zijn dat het échte werk in al die decennia vrijwel niks veranderd is. De magie vindt nog steeds plaats in de klas. Tussen de leerlingen en de leraar. Daar komt vakmanschap echt tot uiting. Waarom is het dan telkens zo’n onderwerp van gesprek?

Onderwijsvernieuwingen zijn een verdienmodel geworden. Er wordt gretig gebruikgemaakt van adviseurs en organisaties die claimen onderwijs op een goedkope manier te verbeteren. ‘Wat jullie doen, kan veel beter’. Dit is voor beleidsmakers een verleidelijk alternatief op het investeren in genoeg gekwalificeerd personeel. Dat laatste is nog veel duurder. Op de korte termijn. Slecht onderwijs kost ons als maatschappij miljarden op de langere termijn.

De tweede reden ligt in het feit dat wij, als leraren, op een gegeven moment zelf zijn gaan geloven in de expertise van deze adviseurs, uitgevers, organisaties en beleidsmakers, ons afhankelijk hebben laten worden van methodes en richtlijnen van bovenaf. Ontelbaar veel studiedagen zijn verspild aan het werken met meervoudige intelligenties op school of aan 21st century skills, om er uiteindelijk in de klas even iets mee te doen en het vervolgens weer los te laten, omdat het gewoon niet werkt.

Leren van en met elkaar

Je leert ons vak het beste van en met elkaar. De vakman stelt hoge eisen aan zichzelf en beoordeelt voortdurend het eigen handelen en hoe dit beter kan op basis van normen/waarden binnen eigen gemeenschap van vakmensen waar de vakman zich mee identificeert (Sennet, 2008; Gamble 2001). Van je ervaren collega’s of andersom juist van die enthousiaste nieuweling in het vak. Zoals Martin Bootsma, Rinda den Besten en Mascha Enthoven in hun artikelen in deze editie allemaal onderschrijven: onderwijs is een teamsport. Het heeft mij daarom dan ook altijd verbaasd dat er bij de totstandkoming van het curriculum op de pabo’s in Nederland geen enkele leraar betrokken wordt. Er wordt voor ons bedacht hoe en wat wij aan lessen moeten geven.

Dit bracht mij tot de volgende vraag: ‘Weten leraren wel wat vakmanschap inhoudt?’ En als het antwoord hierop ‘Ja’ is, moeten we dan niet opstaan om voor eens en altijd duidelijk te maken dat de leraar moet (mee)bepalen hoe de nieuwe vakmensen worden opgeleid en wat er wel en niet onze klassen binnenkomt?

Ik besloot deze vraag op een aantal sociale mediakanalen uit te zetten. Uit de honderden reacties die ik ontving kon ik maar één conclusie trekken: we weten prima wat vakmanschap inhoudt. Het gaat te ver om alle reacties integraal op te nemen in dit artikel, maar ik zal er een aantal opnemen:

1. Eddy Erkelens (leraar basisonderwijs, CBS Eben Haëzer te Holsbroek)

Vakmanschap: een enorme toolbox hebben met verschillende werkwijzen waaruit je moeiteloos kan kiezen én flexibel kan wisselen. Elke keer de juiste (op wetenschap of ervaring gebaseerde) methode weer te pakken om elk kind/probleem op te lossen. En dit van jezelf weten.

Meester Martijn Twitter: Iemand die vanuit goed pedagogisch handelen blijft werken aan een goede relatie met zijn/haar leerlingen. Vanuit relatie de kinderen stimuleert om doelgericht zichzelf te blijven verbeteren. Goede didactische vaardigheden van de leerkracht helpen de leerling om dit te bereiken.

2. Marcel Schmeier (oud-leraar, nu auteur en onderwijsadviseur Expertis)

• schrijft resultaten toe aan eigen handelen in plaats van kindkenmerken • verbetert eigen handelen op basis van bewezen effectieve aanpakken • leest vakbladen, onderwijsboeken en volgt nascholing • werkt met collega’s samen aan voortdurend verbeteren van de kwaliteit van de lessen

3. Janiek Groothedde, basisschool Piet Hein, Amsterdam

Transparant en echt zijn, integer, soms kwetsbaar. Het mooie in ieder kind zien en het ze vertellen. Van het goede uitgaan. Doen wat je belooft. Je kinderen kennen. Weten wat ze beweegt, waar hun harten vol van zijn en hun hoofden van overlopen. Dan pas kun je met je les beginnen

4. Bertus Meijer (leraar basisonderwijs CBS De Borgh in Borger)

Een vakman (en vakvrouw) beheerst een vak en heeft vertrouwen van de mensen waarmee hij/zij te maken heeft. Ze weten dat ze op hem/haar kunnen bouwen. Hij/zij heeft kennis van zaken en is kundig. Geen mens die dat ambacht niet uitoefent, zal het in zijn hoofd halen om te zeggen wat hij anders moet doen.

4. Marjonne Maan (docent geschiedenis)

Boven de stof staan, goed kunnen uitleggen (op verschillende manieren), geduld, creatief in het aanbieden van de stof, goed overzicht hebben (over de stof en over wat er in het lokaal gebeurt), goed sociaal en pedagogisch inzicht.


5. Rob Looijenstein (leraar basisonderwijs, Basisschool De Does, Hoogmade)

Een goede leraar weet in een veilige omgeving op kundige wijze te zorgen voor een duurzame kennisoverdracht. Werkt doelgericht, geeft het goede voorbeeld en heeft oog en aandacht voor ieder kind. En draagt op professionele wijze bij aan het schoolklimaat en onderwijsverbetering.

Beginnen bij de kern

Vakmanschap kan, nee, moét je claimen. Je kan nee zeggen tegen zaken die je klas, je school binnenkomen. De week van het geld? Nationale pannenkoekdag, programmeren, citotoetsen voor kleuters; je bent er zelf bij. Zoals ik eerder al aangaf, zijn we op een gegeven moment gaan geloven dat anderen beter weten wat en hoe wij les moeten geven. Wil je het onderwijs echt verbeteren, het vakmanschap centraal stellen, dan zul je m.i. bij de kern moeten beginnen. De opleiding.

Er zijn honderden verschillende pabo’s in Nederland. En hoewel ze allemaal zelf hun curriculum mogen bepalen, is er één overeenkomst: er is geen leraar betrokken bij de totstandkoming van hun curriculum en dat is al een valse start. Uit de vele gesprekken die ik, samen met Jan van de Ven, met collega’s voerde in de afgelopen jaren kwam steevast naar voren dat zij de opleiding en de praktijk te veel van elkaar vonden verschillen. Dan moet je er ook wat aan gaan doen. Met het oprichten van een beroepsvereniging hebben we daar een start mee gemaakt. De volgende stap laat zich raden.

Als we ons vakmanschap echt willen laten gelden, zullen we inspraak en controle moeten eisen over wat er op de pabo’s wordt aangeleerd. Eén vast curriculum op alle pabo’s, samengesteld en geaccrediteerd in samenwerking met de beroepsgroep. Verantwoordelijkheid nemen voor hoe we onze nieuwe collega’s gaan opleiden is de eerste stap die we moeten zetten om ervoor te zorgen dat we meer gaan geloven en vertrouwen in onszelf, in ons vakmanschap.

Dit is een begin. Pas wanneer we beseffen dat onze kennis en kunde van onvervangbare waarde zijn, kunnen we hiernaar handelen. Ons niet laten vertellen wat en hoe we moeten lesgeven, maar zelf bepalen wat er nodig is. In de klas, in je school (met het hele team) en in de hele sector (verenigd in vakbond en beroepsvereniging). We zullen dan nog steeds uitgevers en andere externen nodig hebben, maar vanuit een andere invalshoek. Als serieuze gesprekpartner. Niet als afnemer, maar als opdrachtgever.

Vakmanschap claimen, brengt ook verantwoordelijkheden met zich mee. Zo zullen we samen moeten vaststellen wat werkt en niet werkt in de klas, wat een leraar eigenlijk is en moet kunnen. Dat in gezamenlijkheid vaststellen zal in het begin flink wat extra werk opleveren, maar zal uiteindelijk veel opleveren. Met duidelijke kaders, die wij zelf stellen, is het prettiger werken. Zo werkt het in een klas, zo zal het ook in de sector werken. Van uitvoerder naar architect, dat zou ons doel moeten zijn.

De literatuurlijst is te vinden op: www.jsw.nl/artikelen
Meer informatie of een abonnement afsluiten? Zie www.jsw-online.nl

Thijs Roovers is leraar in het basisonderwijs, initiatiefnemer van het Lerarencollectief en auteur van het boek Leraar, durf te claimen!

Meer nieuws